Roos Box-Koehof (1920)

‘Ze hadden lijsten met namen bij zich en de Joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk.’

Op 4 mei 2014 vertelde Anneke Koehof in het kader van ‘Open Joodse Huizen’ in de Openbare Bibliotheek Amsterdam het verhaal van haar tante Roos Box-Koehof.

Zij heeft dit opgetekend uit de mond van haar hoogbejaarde tante Roos, een van de twee nog levende personeelsleden die de razzia persoonlijk heeft meegemaakt.

 

De Promotie van mijn tante Roos

Het verhaal van een gewoon meisje uit Oost

Nadat mijn tante Roos, geboren in 1920,  in 1935 haar school had afgemaakt kon ze als ‘leermeisje’, zo heette dat toen,  beginnen op een klein atelier, maar in feite was ze gewoon boodschappenmeisje.

Ze bracht naaiwerk bij thuiswerkers, dikwijls Duits Joodse vluchtelingen, en ze bezorgde kleding bij Maison De Bonneterie, wat ook toen al een deftig modemagazijn was.

Vaak moest ze naar een onverstaanbare oude Pool in de Transvaalbuurt, die knopen kleurde.

Om in zijn werkruimte te komen beklom ze de steile trappen en naarmate ze verder boven kwam stonk het penetranter naar de verfkleurstoffen die in pannetjes stonden te pruttelen. Ze bracht hem lapjes stof, zodat hij de benen knopen bijpassend kon kleuren. Het boodschappenwerk was niet zo leuk, maar het was crisistijd, je pakte  alles aan.

Omdat ze zo niets van het naaivak leerde nam ze verschillende andere baantjes aan  totdat ze in 1937, ze was toen 17 jaar, solliciteerde bij Hollandia Kattenburg, een textielfabriek waar waterdichte  regenjassen werden vervaardigd die toen ‘Big Ben’ heetten en later bekend stonden onder de naam ‘Falcon’.

Ze maakte een goede indruk en werd, weer als leerling, aangenomen op de gummi-afdeling. Daar werd rubber op de naden en tussen de belegsels geplakt door speciale plakkers.

En zo fietste Roosje elke morgen van de Kastanjeweg naar de Valkenwegpont over het IJ. Daar, naast de A.D.M, (De Amsterdamse Droogdok Maatschappij) was het gebouw van de textielfabriek, waar ze de hele dag, het was lopendebandwerk, belegsels aan de jassen moest stikken.

Het beviel haar goed, ze had er leuke collega’s en altijd plezier en ze verdiende maar liefst 5 gulden in de week, dat was toen een heel bedrag.

Ze kreeg ook een vriendje, Meier Papegaai. Ze gingen samen uit en bij het afscheid zei mijn tante een keer voor de grap ‘Dag schat’, en hij antwoordde:

‘O Roosje, was het maar echt zo dat ik je schat was’. Hij was stapelverliefd op haar.

Op een middag, toen ze weer eens een afspraakje hadden gemaakt, zei hij:

‘Weet je wat ik vanavond aan doe? Ik doe een hoed aan’!

Maar de liefde kreeg geen kans om verder op te bloeien, want al op de eerste dag dat het dragen van een ster verplicht gesteld was, 1 mei 1942,  werd hij al opgepakt.

Zijn broer werkte als kelner in de Hollandsche Schouwburg, maar vergat het verplichte  witte kelner jasje. Meier holde achter hem aan zonder zijn overjas, waarop de gele ster nog maar net was aangebracht, aan te doen.  Hij werd meteen gearresteerd en via de gevangenis in Amstelveen naar Amersfoort  vervoerd. De rest laat zich raden…

Hollandia Kattenburg was een joods bedrijf, waar joodse werknemers zich thuis voelden vandaar dat veel joodse werkzoekenden daar graag een betrekking wilden.

In de oorlog speelde nog iets mee: onder dwang van de bezetter werden uniformen gemaakt voor het Duitse leger en daarom waren de joodse werknemers en hun gezinnen voorlopig ‘gesperrt’ (vrijgesteld van deportatie).  Zo voelden zij zich redelijk veilig en hoopten op een snelle afloop van de oorlog.

Maar oorlogsmisdadigers als Himmler, Rauter en Lages wilden aan die regeling een einde maken en uiteindelijk vielen de troepen van de Grüne Polizei, onder leiding van de beruchte nazi-misdadiger Lages, de Hollandia Confectiefabrieken Kattenburg binnen. Alle in- en uitgangen werden hermetisch afgesloten.

Ik vervolg dit verhaal met wat ik heb opgetekend uit de mond van mijn hoogbejaarde tante Roos, zij is een van de twee nog levende personeelsleden die dit persoonlijk hebben meegemaakt.

“Op die dag, woensdag 11 november 1942, vielen ze ineens binnen. Ik werkte op de gummi-afdeling, daar kwamen ze het eerst.

De directeur, een vervanger van de eigenlijke directeur, een Verwalter, wilde iets zeggen tegen het personeel, maar hij moest zwijgen.

We werden als schapen en bokken gescheiden, de Joden moesten aan de ene kant gaan staan en wij aan de andere.

 Als eerste werd Rebecca Groenteman eruit gehaald, zij was communistisch en dat wisten die Duitsers  precies. Ik weet zeker dat dát verraderswerk moet zijn geweest en ik weet ook door wie ze zijn verraden.

Ze hadden lijsten met namen bij zich en de joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk.

We hebben uren zo gestaan. Ze kwamen om vier  uur in de middag en wij mochten pas om acht  uur ’s avonds weg.

We zagen onze joodse collega’s wegvoeren in vrachtauto’s: Marietje Kloot, zij was vaak ziek en ik moest haar dan haar loonzakje brengen. Haar vader was fruithandelaar en ik kreeg de sappigste peer en de meest verse ananas. Saartje Melkman, Arie Swaab, Sjakie Kaas, Lowietje de Groot, hij was chef, Jet de Groot, Roosje Meents, die elke week bonnetjes verkocht voor de Matzes met Pasen, Pesach-chewre heette dat, een spaarsysteem voor matzes. Weet je wat ze over me zei? ‘ Het is een Sjikse maar ze is toch in de chewre.’   Ach,  het waren er zovelen, en we waren nog steeds in de veronderstelling dat ze naar een werkkamp gingen… 

En o ja, Janie Beers. Haar zusje Marietje was er niet, ze was pas bevallen. Ik ben nog op kraamvisite geweest en heb er altijd spijt van gehad dat ik de baby toen niet heb meegenomen, maar hoe konden ze weten wat hen boven het hoofd hing, ze waanden zich veilig bij Hollandia Kattenburg.

Toen we eindelijk weg mochten ben ik  zo snel ik kon naar de Transvaalbuurt gegaan om gezinnen van personeelsleden  te waarschuwen, zoals de vrouw van Sjakie Kaas, ik was daar net binnen toen ze gehaald werden door Nederlandse politiebeambtenaren…

Ik moest mijn papieren laten zien en werd hardhandig weggestuurd, ja zelfs van de trap af gegooid!  Volledig overstuur kwam ik die avond op de Kastanjeweg aan.

Het was na die tijd heel moeilijk om weer naar het werk te gaan, maar we moesten door.

Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de joodse werknemers niet waren opgehaald;  het was een promotie met een rouwrand”. 

Anneke Koehof ©