Ida de Boer

Amsterdam, 13 oktober 1914 – Auschwitz, 30 september 1942

‘Juli 1942 besluit Ida zich ’s avonds met haar koffer te melden bij een van de drie verzamelplaatsen in de stad.’

Onderstaand verhaal is geschreven door Ellen Ros. Zij heeft zich, als bewoner van de Oosterparkbuurt, ingezet voor de herdenking van 2017. Samen met Harmen Snel, stadsarchivaris, heeft Ellen zich verdiept in de achtergronden van Joodse gezinnen uit haar buurt. Het verhaal van Ida de Boer sprak haar aan, omdat Ida even oud was als haar dochter toen ze als naaister bij Hollandia Kattenburg werkte en ook omdat Ellen’s moeder en tantes na de oorlog een naaiatelier hadden. In het Joods Historisch Museum heeft ze informatie over de fabriek gevonden en ook wanneer Ida de Boer via Westerbork naar Auschwitz is getransporteerd. De jonge Ida heeft daar nog een paar maanden geleefd.

Ellen heeft zich vooral proberen te verplaatsen in Ida’s leven en hoe langzaam aan rond de Joodse Oosterparkbuurt een net werd samengetrokken, zodanig dat de bewoners nauwelijks kans hadden te ontsnappen. Of alles gegaan is zoals Ellen beschrijft, is niet helemaal zeker, maar aldus Ellen: “Het zal er dichtbij zijn.”

 

Gedachten aan Ida de Boer

Een verhaal bij een naam

Ze kijkt me aan met een fris, open gezicht met ingehouden glimlach. Ida de Boer. Ze is jong, ongeveer de leeftijd van mijn dochter, zo’n 25 schat ik. Ida kijkt me aan vanaf die foto in het Boek der Tranen, het gedenkboek van de fabriek.
Ze werkte als machinestikster bij Hollandia Kattenburg aan de Valkenweg in Amsterdam Noord. Dat naaien heeft ze ongetwijfeld al vroeg geleerd. Veel Joodse vrouwen werkten in naaiateliers in de Oosterparkbuurt. Mijn eigen tantes hadden ook een naaiatelier,waarmee zij eigenlijk voor het hele gezin de kost verdienden en mijn moeder maakte daar de fijnste details met borduurwerk. Zij waren toen net zo oud als dit fotomeisje.

Daarom stel ik me Ida voor zoals ze elke ochtend vroeg fietst naar het Centraal Station. Dan met de Valkenwegpont over het IJ naar Noord en met de stroom fietsers mee naar het nieuwe gebouw van Hollandia. Het is een moderne fabriek met een goede leiding. Ze maken kwaliteitsjassen en de meisjes verdienen er goed, sommigen wel 28 gulden per week. En de inkomsten van Ida zijn, net als bij mijn eigen tantes, broodnodig in het gezin. Ida woont met haar vader Esriël, moeder Rachel en haar jongere broer Abraham twee hoog achter op de Eerste Oosterparkstraat 165. Het huis, vlakbij het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, staat er al lang niet meer. Ida woont haar hele leven al in de Oosterparkbuurt, eerst op de Sparrenweg 5, 3-hoog, dan nog met een tante en met haar twee oudste zussen. Zus Lea is inmiddels getrouwd en woont in dezelfde straat met man en zoontje op nummer 149. Zus Jane woont boven met man Louis, een chauffeur, en dochtertje Leny. Dat moet gezellig zijn geweest maar krap. En gehorig, je hoort ongetwijfeld de kinderen van Bruinvels en Simons beneden huilen.

Haar vader kan in de crisis nauwelijks aan geld komen, hij is meubelmaker maar verdient niet veel. Hij moet zelfs een tijdje op de markt staan met schoonmaakartikelen en als de oudste dochters trouwen besluit de familie kleiner te gaan wonen. Twee hoog achter! Op elkaars lip! Maar gelukkig is Ida niet veel thuis, ze is aan het werk en ze heeft het gezellig met de meiden onder elkaar, op de fabriek, aan de machine. Soms gaan ze uit, stel ik me voor, de stad in, naar de bioscoop of het theater. Vriendinnen onder elkaar, Ida hoeft nog geen jongens.
Er is veel werk, ze moeten hele stapels regenjassen naaien voor de Duitse Wehrmacht, hun fabriek is de beste in regenjassen. Ach, het maakt Ida waarschijnlijk niet uit voor wie het is. Het is werk … al heeft ze gehoord dat er werknemers zijn die in de fabriek sabotage plegen en stiekem gereedstaande partijen uniformen kapot snijden. Zou zij dat durven? De Gestapo is al eens op de fabriek geweest om onderzoek te doen. Ze heeft gerild van angst. Maar zij is onschuldig.

Dat is het begin van de oorlog. Het valt eigenlijk nog wel mee. Het gaat juist heel goed op het werk, Ida heeft het stikken na twee jaar aardig goed onder de knie. En het Joodse personeel heeft een ‘Sperre’, een stempel in het persoonsbewijs ter (voorlopige) vrijwaring van deportatie. Maar het wordt grimmiger. Het begint al met die ster in mei, die alle Joden verplicht zijn te dragen.
Ze voelt zich gemerkt, als een dier eigenlijk. En de afgelopen maanden niet meer naar het café of naar de bioscoop met de vriendinnen van haar werk. Want Joodse meisjes komen er niet meer in. Ze mag bijna niks meer. Zelfs geen wandelingetje in het Oosterpark. Haar fiets heeft ze al moeten inleveren. Ook op het werk verandert de sfeer, want ze mag niet meer samen lunchen met haar vriendinnen. Joden krijgen geen bord en bestek meer en moeten beneden naar het magazijn om te eten. Alsof ze besmettelijk zijn.

En die razzia’s zijn doodeng. Er is een grote staking over geweest. De arbeiders uit Noord stonden met gebalde vuisten voor de fabriek en riepen de werknemers van Hollandia op om samen op te trekken naar de Dam. Ook mensen van de fabriek liepen mee. Ida heeft waarschijnlijk niet gedurfd.
Ze kan als Joods meisje beter niet opvallen. Maar hoe goed ze ook haar best doet niet op te vallen,  ze weten haar te vinden. In juli 1942 krijgt ze een brief. Velen krijgen zo’n brief. De hele buurt gonst ervan. Oproep ‘voor eventuele werkverruiming’ in Duitsland. Bijna haar hele familie heeft een oproep gekregen. Lea en haar man, en ook Abraham, haar broer.
Ze mag maar één koffer of rugzak meenemen met wat kleren en laarzen en eten voor 3 dagen. Wat moet ze ervan denken? Vader zegt dat ze gewoon moeten gaan, want van een beetje werken is nog nooit iemand slechter geworden. Ze kunnen beter gehoorzamen, anders kun je een hoop gedonder krijgen. Buurtgenoten zeggen dat ze niet zullen gaan. Ze denken aan onderduiken. Ook op het werk waren de afgelopen maanden mensen plotseling niet meer komen opdagen. Maar waar moet ze in hemelsnaam onderduiken? Alle familie in de buurt is even krap behuisd. Hoe kan je je in hemelsnaam verstoppen, onzichtbaar maken. Alles hoor je in deze huizen. Alles. Ze kan er niet van slapen…. zal Lea gaan? Zal Abraham gaan? Moet ze naar vader luisteren?

Wat zou ikzelf hebben gedaan? Wat zou ik tegen mijn eigen dochter van 26 jaar hebben gezegd? Zou ik braaf hebben gedaan wat me opgedragen werd of misschien, niet braaf, zou ik toch hebben gehoorzaamd omdat ik dacht daarmee erger te voorkomen? Of had ik misschien aangevoeld dat het niet goed zou aflopen. Had ik iets kunnen organiseren? Onderduiken bij familie op het platteland. Zou ik berichten van Radio Oranje hebben gehoord, berichten wat er met Joden in Polen gebeurde? Of had ik mijn radio allang gehoorzaam ingeleverd? Was ik dan maar afgegaan op wat mij werd geadviseerd in het Weekblad van de Joodse Raad? Was Ida naïef?

Juli 1942 besluit Ida de Boer zich ’s avonds met haar koffer te melden bij een van de drie verzamelplaatsen in de stad.

Ellen Ros – 2017