Ria Schifflers-De Vries (1936)

Ik was nog maar een kind tijdens de oorlog. Toch begreep ik dat oorlog een onmenselijk drama is!’

Ria is geboren en getogen in Amsterdam Noord en is daar ook na haar huwelijk altijd blijven wonen. Van 1954 t/m 1957 heeft ze bij Hollandia Kattenburg als facturiste gewerkt. Ze wist hoe zwaar het bedrijf door de razzia in 1942 was getroffen. De jaarlijkse herdenking in de hal van de fabriek maakte grote indruk op haar. Toen zij in 1986 door bestuurslid Jo de Vries-van Kuik werd gevraagd toe te treden tot het bestuur van het 11 November Comité Hollandia Kattenburg heeft zij dan ook geen moment geaarzeld. Ria kreeg de functie van secretaris en is dat nu al 31 jaar. Zij is daarmee het langst zittende bestuurslid!

In het krantje van 2003 schreef voorzitter Henri Engelschman over Ria het volgende: ‘Toen we haar uitnodigden om lid te worden van het comité beseften we nog niet, dat Ria zo’n grote rol zou gaan spelen in het organiseren van de reünies van oud-Hollandianen en de herdenkingen. Als inwoonster van Amsterdam Noord is zij bekend met het bestuurs- en verenigingsleven aldaar en weet zij gesloten deuren open te krijgen als het voor ons comité noodzakelijk is.’

Voor haar besluit om na 31 jaar intensieve inzet en grote betrokkenheid per eind 2017 van het comité afscheid te nemen hebben wij alle begrip, al valt het ons zwaar en zullen wij Ria heel erg gaan missen. Maar gelukkig heeft Ria beloofd, dat het comité altijd een beroep op haar kan doen. We zullen dan ook niet aarzelen dat te doen!

 

Jeugdherinneringen van Ria Schifflers – de Vries uit de oorlogsperiode in Amsterdam Noord

Bij het uitbreken van de oorlog was ik 4 jaar, maar toch herinner ik mij veel gebeurtenissen uit de oorlogsjaren. Deels gehoord van mijn ouders, deels uit eigen herinnering. Mijn verhaal is niet altijd in de juiste chronologische volgorde, maar de feiten spreken voor zich.

Ik ben in 1936 geboren  in de Nachtegaalstraat. Twee jaar later verhuisden mijn ouders naar Mosveld 35, een klein benedenhuis met aan de overkant het voetbalveld van de Volenwijckers. De winkel op de hoek was een kapperszaak en op de andere hoek zat een groentewinkel. Het zoontje van de kapper, David (Dapie noemde ik hem, omdat ik David nog niet kon uitspreken) was een jaar of twee ouder dan ik en als zijn moeder in de zaak hielp, speelde David vaak bij ons in de tuin.

Al na enige tijd moest er weer verhuisd worden, omdat de baby die mijn moeder verwachtte een tweeling bleek te zijn en hiervoor was het huis op het Mosveld te klein. Het nieuwe huis werd een bovenwoning in de Latherusstraat. Hier hebben wij de hele oorlog gewoond, behalve het jaar dat ons huis door een bombardement tijdelijk onbewoonbaar geworden was. De eerste tijd van de oorlog ging redelijk rustig voorbij. Ik kon met mijn nieuwe buurkinderen rustig op straat spelen, auto’s in de straat kan ik mij niet herinneren behalve de legerauto van een ‘mof’ zoals wij zachtjes zeiden. Deze auto was van een Duitse soldaat die verkering had met een dochter van de benedenburen. Maar hij kwam alleen maar ’s avonds en dan lag ik al in bed.

Zaterdagmorgen gingen we vaak kijken bij de synagoge op de hoek van de Latherusstraat en het Mosveld. Er kwamen daar in onze ogen wat vreemd geklede mannen geheel in het zwart en met grote hoeden op. Joden waren dat, zei mijn moeder. Midden 1941 was dat afgelopen.

Vaak hoorden wij vooral ’s nachts vliegtuigen overvliegen en regelmatig was er luchtalarm als er een bombardement op de Fokker fabrieken aan de Papaverweg verwacht werd. Een keer viel er een bom bij ons aan de overkant in de tuin. De buitenmuren van ons huis stonden er nog, maar de ramen, deuren en een binnenmuur waren door de luchtdruk verdwenen. Het huis was onbewoonbaar. Toen hebben wij ruim een jaar bij mijn grootouders op Nieuwendam gewoond. Ook elders in Noord werden huizen getroffen door bommen bedoeld voor de Fokker fabrieken. Op de Fazantenweg, Van der Pekstraat, Bremstraat, Ribesstraat en ook het politiebureau op de Adelaarsweg. Ik vergeet vast wel enkele plekken. Hierbij zijn honderden Noorderlingen slachtoffer geworden waaronder een aantal kinderen tijdens een mis in de Ritakerk. In de Ribesstraat was het huis van het hoofd van de Wingerdschool (mijn klasseleraar) verwoest en waren zijn vrouw en twee zoons onder de slachtoffers.

Op een dag hoorde mijn moeder dat de synagoge in de Latherusstraat was gesloten en alle Joden, waaronder David en zijn ouders, op transport naar Westerbork moesten. Kort daarna werd ook de synagoge getroffen door een bom. Na de oorlog hebben wij begrepen dat allen slachtoffer werden van de nietsontziende vernietigingsdrang van de Nazi’s die o.a. ook homosexuelen en zigeuners trof. En vergeet niet de verzetstrijders en burgers die als represaille door de Duitsers gearresteerd werden.

Groot waren de schrik en verontwaardiging in ons stadsdeel toen op 11 november 1942 alle Joodse medewerkers van het confectiebedrijf Hollandia Kattenburg door de Duitsers gearresteerd werden. Tezamen met hun familieleden werden de Hollandianen (826 in totaal) enige dagen later op transport naar Westerbork gesteld. Na de oorlog werd duidelijk dat slechts acht mannen de verschrikkingen van de vernietigingskampen overleefd hadden. De vrouwen en kinderen werden al direct na aankomst in Auschwitz vergast.

Een groot deel van de oorlog hebben velen, vooral in de grote steden, honger geleden en moesten mensen vaak leven van wat de gaarkeukens, zoals aan de Laanweg, leverden. Toch hadden de Noorderlingen het niet zo slecht als de bewoners ten zuiden van het IJ, want zij vielen vaak bij de pont in handen van de Duitsers of hun handlangers. Dan werd hen het kleine beetje eten dat zij tijdens dagenlange tochten bij boeren konden kopen, afgenomen.

Niet te verwoorden is de angst die er heerste. De angst om geraakt te worden bij een bombardement, de angst om opgepakt te worden, de angst om niet op tijd thuis te zijn als de ‘Sperrtijd’ inging, de angst om niet genoeg eten voor je kinderen te hebben. Ik zie nog mijn moeder huilend op de onderste trede van de trap zitten, ze kon door pech aan haar fiets niet vóór het begin van de Sperrtijd binnen zijn en de angst om onderweg naar huis opgepakt te worden was haar teveel geworden.

De bevrijding was geweldig. Ik zie nog de legervoertuigen vanaf de Van der Pekstraat het Mosplein oprijden. Wij als kinderen werden door de ‘Tommies’, zoals de Canadezen en Amerikanen genoemd werden, op de voorbij rijdende voertuigen getrokken en kregen kauwgum en chocola.

Ik was nog maar een kind tijdens de oorlog. Toch begreep ik dat oorlog een onmenselijk drama is!