Bob Wolf van den Berg (1923 – 1997)

‘Een 17-jarige jongen in een wereldoorlog’

Wolf van den Berg werkte op de voorraadafdeling van Hollandia Kattenburg en is opgepakt tijdens de razzia van 11 november 1942. Hij was toen 19 jaar. Op transport naar Westerbork wist hij ter hoogte van Nunspeet uit de rijdende trein te springen waarna hij in Laren is ondergedoken en de schuilnaam Robert oftewel Bob aannam. In Laren kwam hij in contact met Hans Kattenburg (zoon van Jacques Kattenburg, oprichter van Hollandia Kattenburg) die er sinds de razzia ondergedoken zat. Toen het daar te gevaarlijk werd, smeedden zij begin 1943 het stoutmoedige plan zich vrijwillig aan te melden voor de Arbeitseinsatz, de gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Ze meldden zich bij het bureau met valse identiteitspapieren en als niet-Joden. Ze kwamen te werken bij machinefabriek Wafios in Gönningen, ten zuiden van Karlsruhe. Daar leidden ze een betrekkelijk rustig  bestaan. In oktober 1943 werd Bob plotseling aangehouden, maar wist te ontsnappen en te vluchten naar Baden-Baden. Daar heeft hij gewoond en gewerkt tot het einde van de oorlog.

Toen Bob na de oorlog naar zijn ouderlijk huis aan de Waalstraat in Amsterdam ging, lag het huisraad bij de buren. Zijn moeder bleek op 24 september 1943 te zijn vergast, zijn broer Jo werd op 31 oktober 1943 in Sobibor ‘auf der Flucht erschossen’.

In het boek ‘Buitenspel’ (in 1993 in eigen beheer uitgegeven) doet Bob Wolf van den Berg voor zijn naasten verslag over zijn belevenissen tussen 1940 en 1945. In het voorwoord staat: ‘Een 17-jarige jongen in een wereldoorlog. Ik heb de oorlog overleefd. Vrees en angsten liggen achter mij. Verdriet om moeder en Jo blijft’.

Passages uit het boek ‘Buitenspel’ van Bob Wolf van de Berg  

Opgepakt

11 November nu meer dan 50 jaar terug. Het is een mooie dag en ik rijd met de tram naar het Centraal Station, joden op het balkon. Dan met het bootje van Bergman of met de IJpont. Ik ben op weg naar Hollandia Kattenburg, waar ik inmiddels op de calculatieafdeling werk. Dan ’s middags om een uur of half vijf ontstond onrust. Geschreeuw. Andere geluiden. De deur van mijn afdeling, waar ik met nog een paar mensen werk, gaat open. Een man in SS-uniform stapt binnen en vraagt in het Nederlands: “Zijn hier joden?”

De niet-joden kunnen in hun kantoor blijven; de joden moeten de gang op. Ik zie o.a. Siegfried Parser van de orderafdeling. We zijn erbij!! We worden opgepakt. Er staan Duitse overvalwagens buiten om ons af te voeren. De ‘Sper’ helpt niet meer. Ik vraag om naar de wc te mogen. Het mag, maar de deur moet open blijven en die vent houdt mij in de gaten. Ontkomen is uitgesloten. Om negen uur ’s avonds worden we in de overvalauto’s geladen en naar de Euterpestraat in Amsterdam vervoerd. In een schoolgebouw is een Zentral-Stelle voor joden. Daar resideert Aus der Fünten, een hoge SS-officier. Na de oorlog veroordeeld als oorlogsmisdadiger.

We moeten in rijen van vier gaan staan. Sommigen moeten schrijfmachines pakken en deze op tafeltjes zetten. Later blijkt dat ze die nodig hebben om ons te registreren. Een Duitser wijst een oudere man achter mij aan om te helpen. Ik zeg: “Blijft u maar staan dat doe ik wel.” Komt die Duitser vlak voor mij staan en slaat me zo twee keer in mijn gezicht. Ik moet dus blijven staan. Je doet niks terug. Je laat je zo twee tikken geven. Je denkt alleen maar aan lijfsbehoud. Achter een loket zit iemand die zicht heeft op iedereen die geregistreerd wordt. Sommigen van ons moeten rechts gaan staan en anderen links. De ene kant betekent de strafgevangenis in Scheveningen; sta je aan de andere kant dan word je op transport gesteld naar Westerbork.

Direct na de oorlog, in augustus 1945, blijkt uit een proces dat ene Maria Korthagen, een vroegere werkneemster bij Hollandia Kattenburg, heeft bekend die selectie te hebben gedaan. Het gerucht wil dat ze zich op de joodse arbeiders wilde wreken. Haar joodse vriendje had haar slecht behandeld. Ze is als collaboratrice veroordeeld.

Ik word ingedeeld bij de Westerbork-gangers. Later op de avond worden we in vrachtwagens geladen. We worden tot op het perron van het Centraal Station gereden. Daar staat een trein klaar. We worden met een man of zes, zeven per coupé, in de trein gestopt. In mijn coupé zit Siegfried Parser, chef van de administratie bij Hollandia. Hij is een van de acht van het zg. Hollandia transport die het concentratiekamp heeft overleefd en is teruggekomen.

Als de trein gaat rijden is het al donker. Er is maar één ding dat mij bezighoudt: hoe kom ik hier uit?? De deuren van de coupés zijn afgegrendeld. De raampjes kunnen wel naar beneden. In de achterste wagon zitten de SS-bewakers die de trein aan de buitenkant met schijnwerpers controleren. Ik ben tot het uiterste gespannen om te kunnen ontsnappen. Ik houd constant de SS-ers achter mij in de gaten. Soms rijdt de trein wat langzamer. Is er een kans? Kan ik eruit?

Zingen in de laatste trein

Dan gebeurt het. Men begint te zingen. In alle wagons hoor je zingen. Joden op weg naar hun ondergang beginnen te zingen. Het is heel indrukwekkend. Zo herinner ik mij dat nog steeds. Maar op dat moment is het enige dat mij echt bezighoudt: Hoe kom ik uit die trein?

Ik zit bij het raam. Ik probeer steeds uit te vissen wat die SS-ers in die coupés achter ons doen. Als ik mijn hoofd uit het raam steek gaan ze schreeuwen. Het valt me op dat de trein af en toe wat vaart mindert bij spoorwegovergangen en wissels.

Dan neem ik doodsbang het besluit om uit de trein te springen. Ik wacht tot de trein weer wat vaart mindert. Ik steek een been uit het raam en hang zo half buiten de trein. Als ik met veel moeite het andere been bijtrek, pakt Siegfried Parser mij bij de arm: “Niet doen, het wordt je dood!” Het is duidelijk dat er op dat moment geen tijd is voor een goed gesprek. Ik trek mijn andere been bij. Ik hoor de moffen schreeuwen. Ik zet me af en spring! Aan de kant van de tweede rails kom ik met mijn kop op die rails terecht. Ik voel bloed op mijn voorhoofd. Ik hoor hoe de trein tot stilstand komt, onder enorm geschreeuw en piepende remmen. Ik begin te rennen, te rennen en nog eens te rennen. Weg van die rails, weg! Ik heb geen idee waar ik zit. Dan, pas veel later, realiseer ik mij dat de trein is doorgereden. Zonder mij!

Het is de vroege ochtend van de 12e november 1942. Ik schat een uur of acht. Het begint te schemeren over de hei. Waar moet ik naartoe? Hoe verder in vredesnaam? Ik loop naar de spoorlijn en ik zie daar een seinwachtershuisje. Een man met een NS-pet komt naar buiten. Hij loopt op mij af. Ben ik opgelucht of bang. Ik weet het niet. “Ik ben uit de trein gevallen”, roep ik naar de man. “Zeker de trein naar Westerbork”, hoor ik terug. Hij blijkt op de hoogte. “Ik kan je niet binnenlaten, maar wacht maar even” zegt hij afstandelijk, maar niet onvriendelijk. Even later komt hij met een teil met water en een doek. Ik bloed als een rund. Hij legt ook een stuk brood neer met iets erop. “Luister” zegt de man, “Veeg dat bloed van je gezicht, eet dit op en ga dan naar de dokter. Hier in Nunspeet is een dokter en die is goed. Die is te vertrouwen!” En hij legt uit waar die dokter woont.

Mijn regenjas zit vol bloed als ik bij de dokter binnenstap. Ik schrik me rot, er zit nog een vent in de spreekkamer. De dokter zegt meteen: “Je hoeft hier niet bang te zijn, deze meneer is in orde. Je kunt vrijuit spreken.” Het blijkt een Nederlandse officier van de opbouwdienst. Ze denken dat ik geparachuteerd ben door de Engelsen. Terwijl de dokter drie wonden in mijn voorhoofd kramt, verschaf ik ze de nodige opheldering. Dan vraagt die officier mij: “Waar wil je naartoe?” Ik zeg hem naar Amsterdam te willen. Ik krijg de fiets van de dokter met het advies: “Rij naar Amersfoort en neem daar de trein naar Amsterdam.” De officier biedt aan om mee te gaan wat de kans op controle een stuk kleiner maakt. En inderdaad, ik word niet gecontroleerd. Als we voor het Centraal Station in Amsterdam rijden, zegt iemand in onze coupé: “Kijk, daar aan de overkant, bij Hollandia Kattenburg, daar hebben ze gisteren de joden weggehaald.”