Toespraak Elma Verhey, 11 november 2014

Hier, precies op deze plek, stond de beroemde regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg. Vandaag ruim zeventig jaar geleden, vlak voordat de fabrieksfluit gaat als teken dat de werkdag voorbij is, vindt een razzia plaats op het Joodse personeel. Bewapende Duitse politieagenten omsingelen het gebouw en zorgen dat niemand ontsnapt. Later die avond mag het niet-Joodse personeel naar huis. Maar de Joden moeten blijven. Amsterdamse politieagenten gaan naar hun woonadressen en nemen hun familieleden mee, die van niets weten.

Wat weten wíj van de mannen en vrouwen die op die fatale woensdagmiddag worden opgepakt en gedeporteerd? Hoe oud zijn ze, zijn ze getrouwd, hebben ze kinderen, waar wonen ze? Wat hebben ze gedacht op die fatale dag?

Vlak na de bevrijding is er een herdenkingsalbum gemaakt door de fabrieksleiding. Boek der tranen heet het album en het heeft van elk omgekomen personeelslid een foto. Die zaten kennelijk in hun personeelsdossier. Onder de foto staat hun familienaam en een voorletter, hun geboortedatum en de datum waarop ze in dienst zijn gekomen. Aan dat laatste hechtte de directie van Hollandia-Kattenburg zeer. Het album is niet ingedeeld op functie, maar op het aantal jaren dat het personeel in dienst is.

Het album opent met een foto van een forse, nogal streng kijkende vrouw.  R. Komkommer-Fransman staat er onder de foto, en uit de data valt op te maken dat ze 46 jaar is en 32 jaar bij de firma werkt. Meer niet. Maar dankzij de gegevens van het onvolprezen digitale Joodse monument, te vinden op internet, kan een woonadres worden achterhaald, of iemand getrouwd is, kinderen heeft en de datum waarop hij of zij is omgekomen.

En zodoende kom ik er achter dat de R. voor de naam Rozette staat. Als ze wordt opgepakt, geeft ze als beroep op “inspecteur” . Ze moet het werk van de naaisters controleren. Vandaar misschien die strenge blik. Maar ik lees ook dat ze sinds een paar maanden weduwe is. Over kinderen staat niets vermeld.

Rozette Fransman is op haar veertiende jaar bij Hollandia-Kattenburg komen werken, waarschijnlijk als leerling-naaister. Ze heeft nog meegemaakt hoe de oude bedompte naaiateliers in de Warmoesstraat uit hun voegen barsten. Directeur Jacques Kattenburg waagt de sprong over het IJ naar Amsterdam-Noord, waar in 1917 op deze plek een gloednieuwe, ultramoderne fabriek wordt geopend voor wel 1000 arbeiders. Met centrale verwarming  en liften – een unicum in die jaren.  Zo bijzonder is de fabriek dat de Koningin er een kijkje komt nemen.

Rebecca Ancona-Sanders is ook een van de oudgedienden. Ze ziet er op de foto veel ouder uit dan de 48 jaar die ze is. Op het moment van de razzia werkt ze 30 jaar bij de firma en ze geeft als beroep op “appreteuse”. Ze legt de laatste hand aan de regenjassen en zorgt ervoor dat die er tip top uitzien als ze naar de winkels gaan. Als Rebecca die middag van de 11de november wordt vastgehouden in de fabriek, wordt haar man van hun huis aan het Afrikanerplein opgehaald: winkelier Meijer Ancona. Hij is 55 jaar.

Rozette en Rebecca wonen allebei in Amsterdam-Oost in de Transvaalbuurt. Het overgrote deel van het personeel blijkt daar te wonen. Niet zo verwonderlijk, de buurt bestaat voor dik 80 procent uit Joodse bewoners. Ik stel me voor hoe ze met honderden tegelijk elke ochtend van huis gaan om een van de tientallen ponten te nemen naar de fabrieken en de scheepswerven in Noord. Het Hollandia-personeel kan samen opfietsen, want de regenjassenfabriek is wat je noemt een familiebedrijf: de namen Bak, Beesem, Brandon, Delden, Dingsdag, Van Gelder, Gomperts, Piller, Polak, Schaap, De Vries of Waas komen meer dan eens voor in het gedenkboek. Het blijken zusjes van elkaar, schoonzusjes, het zijn moeder en dochter, neef en nicht of vader en zoon. Het kan niet anders of de firma heeft een goede naam. Mensen zijn trots om bij Hollandia te werken.

Niet iedereen neemt de pont. Er woont ook Joods personeel in Amsterdam-Noord. Greta Diksteijn bijvoorbeeld kan lopend naar haar werk. Ze woont Havikslaan 32 huis.  Ze is zestien jaar als ze bij Hollandia gaat werken. Zestien, maar ook vijftien of veertien jaar is de leeftijd waarop het meeste personeel bij Hollandia begint. Greta lijkt sprekend op haar vader, Mosjek Diksteijn, die ook bij Hollandia werkt. Hij is geboren in Warschau en bewijzen kan ik het niet, maar de kans is groot dat hij als jonge jongen naar Nederland is gevlucht vanwege de Jodenvervolgingen in Oost-Europa. Nederland blijkt helaas niet de veilige plek waarop hij hoopt.

Op naaiateliers werken traditioneel veel vrouwen en ik veronderstel dat de overgrote meerderheid van het personeel wel uit vrouwen zal bestaan. Maar dat klopt niet. Onder de ruim 350 opgepakte Joodse personeelsleden zijn zo’n 190 vrouwen en 160 mannen. De mannen geven vaak als beroep op “regenjassenplakker”. De stof van de jassen is beplakt met een soort rubber en het dichtlassen van de naden, zodat de jassen ook echt waterdicht zijn, wordt kennelijk als mannenwerk gezien.

Een van de jongste regenjasplakkers is Meijer Ensel, ook hij woont in de Transvaalbuurt. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gaat hij bij Hollandia werken, hij is dan net 14 jaar geworden. Nog geen twee jaar later wordt hij samen met zijn vader, zijn moeder en zijn drie jongere broertjes en zusjes gedeporteerd naar Auschwitz. Op de foto uit het herdenkingsalbum staat een brutaal-verlegen jongen met stekeltjeshaar. Je kunt je hem moeiteloos voorstellen hier op het IJplein, een skateboard onder z’n arm.

Regenjassen bieden bescherming tegen weer en wind. Maar de firma zelf biedt dat ook, hoopt het personeel. De fabriek maakt jassen voor het Duitse leger en daarom heeft het Joodse personeel vrijstelling van deportatie. Vooral in 1941 en 1942 worden er nog veel Joodse jongeren aangenomen, zoals Eva de Boer, 20 jaar en knoopgatenmaakster. Van haar is de allerlaatste foto in het album. De foto is een beetje overbelicht – alsof ze er toen al niet meer echt wás. Als haar vader, moeder, broer en zus al eerder in oktober 1942 worden opgepakt, ontspringt zij de dans omdat ze net werk heeft gekregen bij Hollandia. Het blijkt helaas uitstel van executie, zoals voor de meesten Nederlandse Joden.

In een tijd dat bijna iedereen met een smartphone rondloopt, is het moeilijk voor te stellen dat de mensen destijds niets weten over het lot dat de Joden te wachten staat. Vernietigingskampen, gaskamers? Niemand kan zich dat voorstellen en het ís ook nog steeds onvoorstelbaar.

De Hollandia groep wordt in eerste instantie naar Westerbork gebracht, het doorgangskamp in Drenthe. Vandaar uit vertrekt de trein op maandag 28 november met 826 passagiers de grens over naar Duitsland. Iedereen heeft een flinke plunjezak of koffer bij zich met stevige schoenen en warme kleding. De stemming is om te snijden. Maar er is ook hoop. Er is ze verteld dat met z’n allen te werk worden gesteld in een kledingfabriek in Duitsland. En ze vertrekken in een echte passagierstrein, niet in goederenwagons. Ze spreken elkaar moed in. Wie weet valt het allemaal mee. Iemand zet aarzelend een liedje in, anderen vallen bij, en er worden broodjes uitgedeeld. Heel even lijkt het alsof het om een personeelsuitje gaat. Hoe cynisch dat ook klinkt, maar toch troost het mij dat ze niet alleen zijn en steun hebben aan elkaar.

Als de trein de volgende dag halverwege Duitsland stopt, en de jonge mannen met veel geweld uit de trein worden gesleurd, slaat de stemming definitief om. Nog weer een dag later, op  3 december 1942, eindigt voor de meesten hun leven in Auschwitz.

Het jongste slachtoffer van de razzia is waarschijnlijk Leo Hartog. Zijn moeder Marie Kropveld-Kloot, 23, is een paar weken voor de razzia bevallen van Leo. Als ze wordt gearresteerd, pakken de nazi’s haar man op en de baby, dan acht weken oud. Leo sterft in de armen van zijn moeder. Zijn vader Hartog is halverwege de reis uit de trein gesleurd en sterft een paar weken later na zich dood te hebben gewerkt in een afschuwelijk kamp.

Ook vandaag zullen weer tientallen onschuldige mensen het slachtoffer worden van terreur en oorlogsgeweld. In Syrië, Irak, de Oekraïne, Somalië en Mali. Laten we beseffen hoe bevoorrecht wij zijn dat we in een vrij land leven, waar recht bestaat en rechtvaardigheid. Laten we voor zo’n wereld blijven vechten, niet alleen voor onszelf maar voor iedereen.

Elma Verhey, 11 november 2014

E: Elma.Verhey@gmail.com