Toespraak Pauline Micheels, 11 november 2009

De afgelopen week zijn we door de media overvoerd met terugblikken op 20-jaar-val van de muur. Veel beelden van de bouw van de muur in de zomer van 1961, toen de Oost-Duitsers zich op een zondagmorgen plotseling realiseerden dat ze van nu af aan afgesloten zouden zijn van het westen. ‘Ze zitten daar als ratten in de val,’ zeiden we toen, en dat was bijna 30 jaar lang inderdaad het geval.

Begin jaren ‘90 schreef ik een artikel over het Joods Symfonie-Orkest. Dat orkest was tijdens de oorlog, met goedvinden van de Duitsers, in Amsterdam opgericht om de joodse orkestmusici op te vangen, die eerder in 1941 allemaal ontslagen waren. Een orkest, gefinancierd door een joodse industrieel, waarin alleen joodse musici zaten, die alleen muziek van joodse componisten mochten spelen voor een publiek dat alleen uit joden bestond. Ik interviewde een handvol oud-orkestleden en een van hen, een trompettist, zei iets waar ik eigenlijk niet eerder bij stil had gestaan. Hij zei: aan de ene kant waren wij musici natuurlijk blij dat we in een uitzonderingspositie verkeerden en nog wél mochten doorwerken. Maar aan de andere kant waren we ons ook bewust van een groot gevaar. Wij speelden met het orkest in de Hollansche Schouwburg, vlakbij Artis, voor een publiek van wel duizend mensen. Als de Duitsers kwaad wilden, en wij hadden geen enkele illusie dat ze dat niet wilden als het om de joden ging, dan zaten we daar wel als ratten in de val.

Nog niet zo lang geleden moest ik daaraan denken, toen ik met een artikel bezig was over Jacques Kattenburg en zijn Hollandia Kattenburg Regenkledingfabriek, hier in Amsterdam-Noord. In deze fabriek was in 1942, anders dan elders, het joodse personeel nog niet ontslagen. De fabriek was belangrijk voor de oorlogvoering en kreeg orders van de Wehrmacht voor uniformen en grondzeilen. In het najaar van 1942 werkten hier nog bijna 370 joodse personeelsleden, die voorlopig vrijgesteld waren van deportatie en dat gold ook voor hun echtgenoten en kinderen. Maar er was gevaar: vanaf de zomer werden er al overal in Amsterdam razzia’s gehouden, waarbij avond aan avond joden werden opgehaald en op de trein gezet naar het kamp Westerbork, in afwachting van transport naar het Oosten. Als het mis ging in de fabriek, en je wist het nooit met die Duitsers, dan zaten ze daar wel als ratten in de val.

Bij het Joods Symphonie-Orkest gebeurde niet waar velen bang voor waren, bij Hollandia Kattenburg wel. Daar verschenen op een donkere novembermiddag, vandaag 67 jaar geleden, plotseling overvalwagens van de Duitse Polizei. Die ging meteen de joodse personeelsleden, herkenbaar aan de gele ster op hun kleding, scheiden van diegenen zonder ster. De niet-joden mochten naar huis, de joden werden gearresteerd en in de wagens afgevoerd. Wat zij niet konden weten was, dat op hetzelfde moment ook hun familieleden waren opgepakt. Kort daarna was de hele groep al in Westerbork en twee weken later werden de meer dan 800 mannen, vrouwen en kinderen op transport gesteld naar het Oosten. Op acht mannen na keerde er niemand na de oorlog terug.

Als ratten in de val. Daar gaat het mij om. In feite zaten alle joden in Nederland tijdens de Duitse bezetting in de val, die de Duitse bezetters op slinkse en leugenachtige wijze hadden gezet. Zij konden geen kant meer op, ook diegenen niet die in een ogenschijnlijke uitzonderingspositie verkeerden. Hún lot was net als van al die anderen al lang bezegeld.

Herwonnen vrijheid, nu in Berlijn met vreugde herdacht, is de meer dan 800 Hollandia Kattenburgers niet gegund geweest. De val waarin zíj zaten heeft onherroepelijk naar hun definitieve einde geleid.

Pauline Micheels

2009